Terpen: Wonen op een heuvel
Heel vroeger was er nog geen zeedijk in het noorden van ons land. Het land bij de zee heet de kwelder. Dit land liep vroeger vaak onder water. Toch wilden mensen daar wonen, want de grond was heel vruchtbaar.
Om veilig te zijn voor de vloed, bouwden de mensen terpen. Dit zijn hoge heuvels van aarde en mest van vee. De mensen zetten hun huizen bovenop de terp. Zo bleven zij droog als de zee weer eens over het land stroomde.
De Beemster: Water wordt land
In de Gouden Eeuw (rond het jaar 1600) hadden mensen meer land nodig voor eten. In Noord-Holland lag toen een groot meer: de Beemster. Rijke mensen bedachten een plan om het water weg te halen. Dit noemen we een droogmakerij.
Eerst bouwden arbeiders een sterke dijk van 38 kilometer om het meer heen. Daarna groeven ze een brede sloot: de ringvaart. De bekende ingenieur Jan Adriaenszoon Leeghwater hielp bij het bouwen van 43 windmolens. Deze molens stonden in een rij achter elkaar. Dit heet een molengang.
Schema: Molengang
Omdat één molen het water maar een klein stukje kan optillen, staan ze in een rij. Ze pompen het water als een soort trap omhoog, van de diepe polder naar de ringvaart.
Elke molen pompte het water een stukje hoger, tot het in de ringvaart stroomde. In 1612 was het meer eindelijk leeg en konden de boeren op de vruchtbare bodem gaan werken.